Onderzoek tijdens de zwangerschap

Als bekend is dat een van de ouders TSC heeft, is het mogelijk om al tijdens de zwangerschap vast te stellen of het ongeboren kind wel of geen TSC heeft. Dit kan alleen als bekend is waar de ‘fout’ in het gen van de ouder zit.

De ernst van TSC kan hiermee niet worden voorspeld, alleen of het ongeboren kind wel of geen TSC heeft.

Dit zogenaamde prenatale onderzoek kan op twee manieren gedaan worden: door een vlokkentest of door een vruchtwateronderzoek. De vlokkentest vindt plaats bij een zwangerschapsduur van 11 à 12 weken. Het vruchtwateronderzoek wordt gedaan bij een zwangerschapsduur van 16 weken. Beide onderzoeken geven een licht verhoogd risico op een miskraam Het risico op een miskraam door het prenatale onderzoek moet door de ouders dus worden meegewogen in de beslissing of zij dit onderzoek willen laten doen.

Na een vlokkentest is de uitslag van het DNA onderzoek na ongeveer 2 weken bekend. Na een vruchtwateronderzoek is de uitslag van het DNA onderzoek na ongeveer 3 à 4 weken bekend.Als wordt vastgesteld dat het ongeboren kind de aandoening heeft kunnen de ouders besluiten de zwangerschap af te laten breken. Dit kan door middel van een curettage of door de bevalling in te leiden door middel van medicijnen, afhankelijk van hoe ver de zwangerschap gevorderd is. Niet ieder ouderpaar zal in zo’n geval de zwangerschap willen afbreken. Sommige ouderparen willen zich kunnen voorbereiden op een kind dat de aandoening heeft.

Meer informatie hierover vindt u op zwangernu.nl.

Er zijn verschillende technieken voor ouderparen die met TSC te maken hebben, om de kans op het krijgen van een kind met TSC te verkleinen. Zoals eiceldonatie, kunstmatige inseminatie en de laatste ontwikkeling is de bevruchting via IVF (reageerbuis-bevruchting). Van het bevruchte embryo worden in een vroeg stadium – de achtcelligheid – een of twee cellen verwijderd om onderzocht te worden. Als er geen TSC wordt gevonden, dan wordt het embryo in de baarmoeder ingeplant.

Geplaatst in Dossiers.